Ingedeeld onder: Columns
In de verte klinkt een bekend deuntje. Na wat graaien onder mijn kussen vind ik de bron van ellende. In een poging het uitknopje te vinden knijp ik wat in mijn telefoon. Negen minuten later herhaalt dit gebeuren zich. En achttien minuten later, en zevenentwintig. Maar na vierenvijftig minuten heb ik mijn kansen verspild: de snoozefunctie heeft geen vertrouwen meer in me en school is inmiddels zonder mij begonnen. Grrr, waar ben ik toch mee bezig de laatste tijd!
Ik schuif de schuld op roomie Marije. Een nachtdier ben ik, maar zij triggert me to the max. Het begint heel onschuldig; we kijken de primetimeprogramma’s, prutsen wat op onze schootcomputers. Maar wanneer onze mede-roomies afhaken begint de gekte. Het is de magie van de nacht. Van de playlist van niet meer van vijf clips op MTV, van de hitsige hijgmeisjes op de commerciële zenders en de eindeloze herhalingen op de publieke. Niet dat de magie ‘m daar zozeer in ligt. Nee, die heeft meer te maken met onze filosofische ikken, die boven komen zodra de zon onder gaat. Met vage muziekvondsten op YouTube en met inspiratie uitwisselen. Sfeertje uitermate relaxt, pakjes sigaretten die op mysterieuze wijze ineens heul hard gaan en enórm waardevolle gesprekken – waarvan we ons na (eindelijk) wat slaap niets meer herinneren. We spreken het niet uit, maar we spelen een spel. Het ‘wie gaat er als eerst naar bed?-spel’. Vergelijk het met de welbekende ‘neehee, jíj moet ophangen’-situatie. Resultaat: als we ramen in onze huiskamer hadden, zouden we elke nacht de zon op zien komen. Als de lampen hulp krijgen van de ochtendschemer komt het moment dat die nachtelijke bedwelming mijn logisch verstand verlaat. Dat ik plots inzie hoe belachelijk ik bezig ben. Meestal verlies ik dus en vertrek ik als eerste richting bed. Maar slapen? Nee, daar ben ik dan voorlopig nog niet mee bezig. Omdat ik make-up removen de slechtste klus ooit vind, en er op zo’n moment al veel te moe voor ben, stel ik het uit door te laptoppen. Ik volg eindeloze krabbelwisselingen tussen vage onbekenden, ik vermaak me op www.speelyahtzee.nl en typ m’n moeder een mail – die ik vervolgens niet verstuur, omdat ze tegenwoordig snapt dat ze kan zien hoe laat ‘ie verstuurd is. Ik raap een shirt van de vloer en drie kwartier later is ineens m’n kamer blinkend. Ik durf bijna niet richting klok te kijken: als ik nu ga slapen, kan ik nog anderhalf uur. Zojuist hadden we namelijk, in één van die gedeelde hersenspinsels, elkaar nog beloofd vandaag écht naar school te gaan. Ja, vandaag waren de lessen héél belangrijk en absoluut onmisbaar. Bovendien kwamen we tot de conclusie dat onze lifestyle niet echt bevorderlijk is voor ons algemeen welzijn..
Het is half negen. In de verte klinkt een bekend deuntje. Ik graai onder m’n kussen en knijp in m’n telefoon. Vierenhalf uur later word ik wakker. Kutgevoel. Marije zit zich vast heel lekker en tevreden-over-zichzelf te voelen op school. Gatsie, vlug een bakkie troost maar. Terwijl ik me op de bank nestel hoor ik een deuntje. Ook deze komt me bekend voor. Hij komt achter Marijes deur vandaan… Ik kan een lach niet helpen, maar sla tegelijkertijd hopeloos een hand voor mijn hoofd. Wat een types! Na nog zo’n zeven keer die deun, kraakt de deur. Ik zie een o zo bekend slaperig hoofd, met daaronder een o zo bekende slaapoutfit. Het is Marijes middaglook van de laatste tijd. ‘Goeiemorgen’ zegt ze, met haar blik vol schaamte voor ons gedrag. ‘Goeiemiddag’, antwoord ik mijn standaardantwoord. ‘Koffie?’ ‘Yup, sigaretje?’ ‘Fijn.’
En terwijl de verstandige huisgenoothelft begint te koken, verorberen wij een brunch. We douchen, slaan een nieuwe voorraad peuken in en een diner voor rond de klok van negen.
O shit, zes uur alweer…
Ingedeeld onder: Columns
Studiemateriaal, zo noem ik het tegenwoordig. En dat is heus ook wel een beetje waar, maar vooral een goed excuus. Al m’n schaarse centen gaan eraan op. Ik kan het niet helpen. Ik ben een absolute tijdschriftenfreak.
Het begon met het riedeltje Bobo – Okki – Taptoe – Hello You. Daarna kwamen Tina, Fancy en Yes. Mijn moeders Margriet en Libelle en de Story en Privé van oma. ELLEgirl, Glamour, Celebrity, Starstyle, Flair en Viva. VT Wonen, Ariadne at Home, 101 Woonideeën, Linda, Jan… Blend, ELLE, GUP, i-D, Lula en Mirage. Maar het loopt uit de klauwen. Het is een duidelijk signaal. Tegenwoordig vergaap ik me zelfs – as kindloos as can be – aan mama-tijdschriften. Thuis. Ik ben namelijk geen winkellezer. Dat wil zeggen: niet meer. Ik moet hier even een klein jeugdtrauma oprakelen: ik was zes en in de plaatselijke boekwinkel. M’n moeder had mij, kleine leesloenatik als ik was, daar neergeplant terwijl ze zelf vlug boodschappen insloeg. Met Sinterklaas in het vooruitzicht zocht ik een boek voor op mijn verlanglijst. Ik had het mezelf gemakkelijk gemaakt op de harde houten vloer en scande een bladzijde van een Carry Slee. Tot een soort donderwolk boven me verscheen. Ik rukte me los uit het boek en zag twee grote schoenen. Ik volgde de benen-in-ribpantalon omhoog en daar stond hij. De boekwinkelbeul. Met twee priemende ogen en zijn armen over elkaar. Had ‘ie de verwarming flink opengedraaid? Het was plots zo heet… En terwijl hij mijn hoofd ongetwijfeld opgezwollen, brandweerrode proporties zag aannemen bulderde hij: ‘Zeg, wat denk jij wel niet. Het is hier geen bibliotheek!!’ Hij kreeg zijn zin: huilend rende ik – kleine, brave, verlegen witblonde ik, zijn zaak uit. Nee, winkellezen komt sindsdien in mijn boekje niet meer voor.
Vind ik iets interessant, zit er dus maar één ding op. Kopen! En ik wil meer, meer, meer. Ik vind álles leuk! Terwijl m’n kamer toch al eerder dienst doet als magazinemagazijn dan als slaapdomein. Want ik bewaar alles. Don’t touch my magazines! Hoe bestaat het dat mensen die dingen weggooien, of er plaatjes uit scheuren? Tijdschriften zijn heilig. Als ik een pagina aan m’n muur wil, koop ik het blad nog een keer. Dat doe ik trouwens wel vaker, prongluk. Dat ik thuiskom met de buit en dat ik – verrek! – ergens tussen de stapel zo’n zelfde exemplaar vind. Hoe kan het dat de artikelaankondigingen op de cover me dan niet bekend voorkwamen? Stiekem weet ik het ook wel: ik koop teveel. Ik krijg het niet bijgelezen. Misschien moet ik eens met iemand gaan praten. Afrekenen met mijn verleden. Loskomen van de ervaring die mij, mijn bankrekening én mijn slaapruimte voor eeuwig heeft getekend. Ik ga het doen, ik laat het los, ik word weer winkellezer!
Ingedeeld onder: Columns
Ik heb een speeltje. Een verrukkelijk speeltje. Het genot dat dit ding mij brengt is nergens mee te vergelijken. Het prikkelt, ontspant en bezorgt me rillingen op plekken waar ik niet wist dat ik kon rillen. Onbeschrijflijk. Toch, als ik het zelf doe, ben ik het vrij snel zat. Ik vind het namelijk niet eerlijk om mijn arm aan het werk te zetten, terwijl de rest van mijn lijf mag genieten. Maar als iemand anders mijn speeltje voor me bedient: oeh la la! Maakt niet uit wie; m’n lief, m’n huisgenootje of m’n moeder. Ze kunnen het allemaal.
Ik wilde er eerst zo één met trilfunctie. Eigenlijk waren dat ook de enigen die ik zag. Vrienden van m’n vriendje hadden er één. Als we daar waren ging ik er meteen mee aan de slag. Maar je wilt niet weten wat die dingen kosten, dus liep ik altijd met pijn in mijn hart aan ze voorbij. Op mijn lucky day liep ik, hier in Amsterdam, een winkel binnen: DOM. Niet de actie, dat was juist een slimme zet. Nee, de winkel, die heet zo. Het is dat ik niet rood kan staan (zelfbescherming), maar het scheelde op dat moment weinig. Kopen was een dikke no-no. Maar zoals zoveel fijne dingen in mijn leven, kwam deze met een verkeerde timing. Ik zag ‘m glimmen, bovenop een plank. Hij was trilfunctieloos, maar ik kon me niet voorstellen dat het genot er veel minder om zou zijn. Op het doosje dat ernaast stond zocht ik hoopvol (omdat trilfunctieloos) naar een prijs. Zeven euro vijftig stond er. Zeven euro vijftig!!! Dat kon heus nog wel. De meneer achter de kassa vroeg of het een kadootje was. Ja, goeiedag hee, wacht dacht ‘ie zelf! Om het geschenk van het jaar moest een prachtpapier en het liefst nog een strik. Het was feest, ik had mijn speeltje. Ik holde naar de tram en was teleurgesteld toen hij voor mijn neus wegreed. Ik had iets gekocht terwijl het absoluut uit den boze was. Ik had twee avondmaaltijden op het spel gezet. Zoiets bezorgt stress, en daarom moest ik naar huis; ontspannen met m’n speleding! Even overwoog ik om ‘m uit zijn doosje te halen en alvast zijn werk te laten doen. Gelukkig wist ik me te beheersen. Thuis kon ik niet stoppen. M’n arm maakte overuren, maar ik was verslaafd. Jaloers keek ik toe als mijn huisgenootjes even probeerden. Ik zag gezichtsuitdrukkingen die ik niet van ze kende. Ik hoorde kleine kreetjes die ik alleen heel soms, heel per ongeluk, bij mannelijk bezoek uit hun kamers hoor komen. En weet je? Dat gun ik iedereen. Daarom: een kleine tip met grote gevolgen.
DOM, Spuistraat 281 in Amsterdam. Hoofdmassagespin voor maar € 7,50!
Ingedeeld onder: Columns
Met héél veel pijn en héél veel moeite stap ik die ochtend m’n bed uit. Wetend dat ik ‘s avonds met nóg meer pijn en nóg meer moeite er weer in zal kruipen. Het is zondag drie juni. De datum die al weken in mijn agenda staat te branden.
Tien uur is het inmiddels. Nog een half uur en dan staat Daisy voor de deur. Toch? Nog ff checken. ‘Half 11? Nee joh, half 11 moeten we bij Mir zijn. Gaan we lekker met z’n allen ontbijten eerst. Ik sta over een kwartiertje bij je voor de deur!’ Juist, dat kan er ook nog wel bij: haast!
Wanneer ik de lux-a-flex een beetje opzij duw, zie ik dat het weer in ieder geval meezit. Dat is mooi meegenomen. Vandaag is namelijk de dag, dat ik de Westlandse Elluf Kroegentocht fietsen mag! Officiëel staat er 38 kilometer voor. Het richtingsgevoel van mij en m’n kroegentochtgenootjes in acht nemend, mogen daar nog tien kilometers bij opgeteld. Plus die tien kilometer van mijn huis naar kroeg één en vice versa.
‘Pap! Wil jij nog ff pompen?’ roep ik naar beneden, tandenborstel in mijn mond. Ik loop naar het raam en zie ‘m staan: druk aan het pompen in zijn badjas. Moet maar met een goed vaderdagcadeau komen dit jaar.
Gelukkig gunt Daisy me nog wat extra minuutjes, maar dan staat ze toch echt voor de deur. Daar gaan we dan. Met frisse moed onze eerste kilometers tegemoet.
Eenmaal bij Mirjam aangekomen proppen we wat croissantjes, kaas en thee naar binnen en ben ik zo verstandig om van een mouwrijk naar een mouwloos shirtje te switchen.
Met gevulde maagjes en harde bandjes trappen we naar kroeg één. Twintig euro betalen we. In ruil daarvoor krijgen we de plattegrond met alle kroegen erop, elf consumptiebonnetjes (één per kroeg) en een felroze Elluf Kroegentocht-shirt. Officiëel. Maar aangezien ze er 200 te weinig hebben besteld moeten wij het zonder doen. Geeft niks, blijven onze okseltjes lekker droog!
Dan moet de eerste bon ingeleverd. Dit is de moeilijkste. Want wat kies je om half 12, zondagochtend, wetend dat er nog minimaal tien drankjes zullen volgen? We kiezen lekker gevariëerd: koffie, cola, wijn en bier.
En hup, daar gaan we. Van ‘s Gravenzande naar Heenweg (ja, dat bestaat!). De kop is eraf, en dat maakt de keuze een stuk makkelijker. Unaniem kiezen we voor rosébier. Terwijl onze fietsjes staan te blinken in het zonnetje, genieten wij op het terras. Maar we moeten wel voor acht uur vanavond binnen zijn, willen we kans maken op mooie prijzen.
Dus ja, de stale rossen worden weer bestegen. Van Heenweg naar Maasdijk mogen ze ons brengen. Na de eerste flinke omweg belanden we bij een idyllisch kroegje. We besluiten dat dit onze nieuwe stamkroeg wordt. Een beluit dat vanaf nu bij elke kroeg genomen wordt. Als ik weer op de fiets stap hoor ik eerst ‘boem’ en dan ‘auw’. Als ik omkijk zie ik Remke op de grond liggen. Nu al! De rest van de dag kampt ze met twee bloederige wonden op haar melkflesjes, een teenprobleem en vooral heel veel zogenaamd leuke grapjes. Arme Rem. Wist ze haar rem maar wat beter te vinden. Gelukkig zijn er nog genoeg verdovende middelen in het vooruitzicht.
Hoe meer de dag vordert, hoe harder het zonnetje schijnt. En hoe hoger het aantal kilometers op Fabiënnes tellertje oploopt, hoe luidruchtiger de Westlanders worden.
We komen erachter dat we niet de enige zijn die onze route zo onpraktisch hebben gepland. Steeds komen we dezelfde mensen tegen. Nou ja, mensen? Vier gore gasten op een tandem, in enorme harige, gekleurde pakken. Met een soort voorbindpiemels op hun neus. Hadden wij ook maar van die piemels gehad, dan hadden we niet zo’n last gehad van de enorme stank die om ze heen hing. Wat wil je ook: 40 kilometer fietsen door de hitte, in een pak waarmee je nog zou zweten op de noordpool.
Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken. Doordat die Westlanders steeds meer drinken, begin ik ze steeds irritanter te vinden. Ze praten boers, ze eten boers, ze doen oneerbare voorstellen, ze produceren heel veel lawaai en als je ze als tegenligger tegenkomt roepen ze heel hard: BORSTEN!!!
Aan de andere kant, doordat ik zélf steeds meer drink, begin ik ze ook juist weer meer te waarderen. Ik bedoel, dat ‘BORSTEN!!!’ heeft tenslotte best iets schattigs. Dat is Esther met me eens. Het klinkt toch een stuk vrouwvriendelijker dan, zeg: ‘TIETEN!!!’ Ook Westlandse ouderen zijn erg vriendelijk. Ze zijn duidelijk verheugd als ze in hun zondagse kleren uit de kerk stappen en zoveel jongeren lekker sportief voorbij zien fietsen. Daar zou die zuipende jeugd eens een voorbeeld aan moeten nemen!
En het Westland zelf is eigenlijk echt ontzettend mooi. Vooral het stukje tussen De Lier en Wateringen. Je zou er bijna voor je lol eens gaan fietsen! Bijna.
Mirjam dacht dat ze aan elf consumpties niet genoeg zou hebben en heeft uit voorzorg een fietstasje meegenomen met onder meer een fles bessen. Het glas is een souvenir uit kroeg twee en gaat al fietsend rond. Het probleem is dat bessen flink vlekt en Mirjam ondertussen al aardig de figuurlijke weg kwijt is. Zo komt het dat haar shirtje al snel niet meer wit is, maar roze. Gelukkig fietsen we langs een sloot. Daar kan ze zich best even wassen. Terwijl Mirjam tussen het kroos plonst, wat niet helemaal de bedoeling was, doen wij even een plasje. Er komt tenslotte toch niemand aan. Ik probeer heel zorgvuldig niet te hard te spetteren en zit bijna in de split om m’n slippers droog te houden. Dan kijk ik op en zie ik dat de ouderen van de ándere fietstocht eraan komen. Hè bah, geen tijd om uit te druppelen! Ik spring op, trek mn broek omhoog en daar zijn ze al. Onze fietsen, die midden op het pad staan, blokkeren hun weg en hun vriendelijkheid.
Mirjam komt de sloot uit. Het is gelukt, ze is niet meer roze. Ze is nu groen. Ze zit van top tot teen onder het kroos. Er kwaakt nog net geen kikker op haar hoofd. Ik sta daar een beetje met m’n riem te hannessen. Naast me is een enorme natte plek te zien. Een oudere man stapt af. Hij kijkt naar de natte plek en vervolgens naar mij. Ik sta er verdwaasd bij. De man kijkt me bezorgd aan: ‘Gaat het??’ vraagt hij lief. Esther begint te lachen, en ik schud van ‘ja’.
Om kwart voor acht bereiken we de laatste kroeg. Door onverklaarbaar geheugenverlies is dit verslag een stuk minder interessant geworden dan ik vooraf gehoopt had. Gelukkig hebben we de foto’s nog.
Als ik die avond m’n bed in stap valt de pijn eigenlijk best mee. En moeite komt er al helemaal niet bij kijken. Misschien toch best goed voor een mens, zo’n Elluf Kroegentocht. Ik zeg: volgend jaar weer… en dan een fotoverslag!
Ingedeeld onder: Columns
De mevrouw vroeg wat de stemmen in mijn hoofd zeiden in zo’n situatie. Stemmen? In mijn hoofd? Mijn god, wat had die dokter allemaal in zijn brief gezet? Ik kwam hier toch voor een cursusje time-management?Ik verkleurde, want dat deed ik nogal snel, en de mevrouw keek me vragend aan. Rustig. Ze keek zo rustig dat ik er onrustig van werd. Eng rustig. Ik probeerde haar uit te leggen dat dit een vergissing moest zijn.
Ik hoorde geen stemmen. Maar dat bleek een vergissing van mijn kant te zijn. Stemmen horen we allemaal, wist de mevrouw. Je hebt een slecht stemmetje dat je dingen laat doen – ik vergeleek het met het ‘id’ van Freud – en je hebt een goed stemmetje, dat je van sommige van die dingen weerhoudt.
Weer zoiets dat je geacht werd zomaar te snappen, zomaar te weten. Waarom was ik toch niet volwassen geworden, automatisch, zoals het bij de rest leek te gaan? Waarom snapte mijn IQ van 138 niet wat ze bedoelde? Hoorde je die stemmen dan echt in je oren? Zat je fronsend te kijken terwijl je de ene gedachte tegen de andere ‘dacht’?
Krampachtig probeerde ik stemmen te horen in mijn hoofd. Het lukte wel. Eerst dacht ik: “Hoor ik stemmen?” en daarna “Ja, maar dat doe je zelf”.
Goed, ik kon dus ook stemmen horen. Iets dat normaal was, volgens de mevrouw. Dat betekende dat ik weer een stukje normaler was dan ik steeds had gedacht. Maar stiekem wist ik heel erg goed dat ik deed alsof. Ik zou er eens op gaan letten, want verder vragen durfde ik niet meer. Dat zou echt heel dom overkomen, want voor die mevrouw was het blijkbaar de normaalste zaak ter wereld.
Ík vroeg me toch af of het me normaler zou maken, als ik naar de stemmen in mijn hoofd zou gaan luisteren…
Ingedeeld onder: Columns
Ik lees net dat de introductieweek er weer aan komt en ik vind het fantastisch. Helemaal te gek. Zeg nou zelf: niets is toch fijner dan in je eentje jezelf, je spullen en je weg proberen te vinden tussen je aanstaande klasgenootjes? Fijner dan heerlijk zwoegen door de modder, tijdens al die originele sportieve activiteiten die ze voor je bedacht hebben? En fijner dan, on top of it all, aan het eind van de dag lekker je lekke luchtbedje opzoeken? Bezweet en wel, omdat de douches óf te goor waren of juist zo aantrekkelijk dat er een te lange rij stond. In een té ranzig natgeregend tentje, met een paar onbekenden die de douche ook te goor of te lang wachten vonden en waarvan je van te voren niet wist dat ze zouden snurken als een zeekoe. Lekker back to basic. Jeetje, wat fijn. Heb je in elk geval niet voor niets je halve vakantie opgeofferd om al die euro’s bij elkaar te sparen!
Oké, nu even serieus. Voor degenen die écht spontaan opgewonden raakten van het bovenstaande stukje koester ik een diepe bewondering. Het enige wat ik heerlijk vind aan het feit dat de introductieweek er weer aan zit te komen, is het feit dat ik dit keer niet mee hoef.
Als non-liefhebber van verplicht ‘leuke’ bezigheden heb ik het niet al te handig aangepakt in mijn studieloopbaan. Dan heb ik het over het meermalig switchen van opleiding en hogeschool. Toch moet ik zeggen dat ik het er redelijk vanaf heb gebracht.
See for yourself!
Ik begon met de pabo. Als een groen blaadje, net van de havo. Op een gegeven moment zat ik flink wit weggetrokken achter de computer (ik had tenslotte al wat slapeloze nachten achter de rug met de introductieweek in het vooruitzicht). Ik las dat de introductieweek dit jaar gewoon op school zou plaatsvinden. Niks gore tentjes, niks enge survivalcapriolen. Maar het bleek wel gelijk typisch pabo: aan de hand van een wc-rol je levensverhaal vertellen, elkaar geblinddoekt door het gebouw heen lijden (dit is geen spelfout) en in de kring een bal overgooien om elkaars namen te leren kennen. Oja, en voor de survivalcapriolen hadden ze een leuk alternatief bedacht: apenkooien in de gymzaal. In mijn geval beter te beschrijven als: met een hoofd als een pasgewassen tomaat en mascara op de kin naar de overkant zien te komen. Zwierend, zwaaiend, glijdend, maar in mijn geval strompelend, worstelend en verstijfd van angst. En dan net als je je echt geen raad meer weet met die horizontale paal tussen je benen (ook wel: evenwichtsbalk), komt één van je aanstaande leraren je met zichtbaar veel plezier filmen. Close-up. Zodat het aan het eind van de week op groot scherm in de aula vertoond kan worden onder het mom: wat hebben we een lol gehad met z’n allen. Met z’n allen ja, óm mij! Die tranen die daar tig keer uitvergroot op het scherm prijkten waren niet van de lol!
Ik had nog niemand leren kennen, maar in elk geval wist iedereen nu wie ík was! Een heerlijk begin van het schooljaar, ik kon niet wachten!
Poe, laten we deel twee volgende keer maar doen. Ik neem mezelf in bescherming, ik brei er een eind aan.
Wat ik nu ga doen? Hard werken voor m’n propedeuse en nóóit meer eerstejaars worden!
Fijne introductieweek allemaal!
Deze column schreef ik vorig jaar, tijdens mijn opleiding Communicatie. In een groepje moesten we een schoolblad maken voor de Hogeschool Rotterdam. Grotendeels moest iedereen dezelfde opdrachten uitvoeren, zoals een column schrijven over een bepaald onderwerp. Van elke opdracht werd dan de beste versie uitgekozen en in het blad geplaatst. Dit is mijn, uitgekozen, column over het onderwerp ‘De introductieweek’.
Ik heb deze column gekozen om een paar redenen. Ten eerste om de positieve reacties die ik erop kreeg. Veel mensen moesten erom lachen en ik ben, mede door deze column, zelfs gevraagd om de nieuwe columniste te worden van het échte hogeschoolblad.
Ten tweede ben ik in deze column erg eerlijk geweest. Dat is iets wat ik in columns van anderen die ik lees altijd erg waardeer. Het kan mij bijna niet gek en eerlijk genoeg zijn. Helaas heb ik er een beetje moeite mee om zelf ook zo eerlijk te zijn in openbare stukjes. Ik heb het hier geprobeerd (want ja, alles is echt gebeurd) en het pakte goed uit. Mensen waarderen de eerlijkheid en lachen erom. Tegelijkertijd voelen ze ook met je mee. Door deze ervaring durf ik nu meer open te zijn in de stukjes die ik schrijf.
Daarom krijgt deze column een plaatsje in mijn portfolio.


